Quotessence
Home / Quotes / Quote by Elizabeth Strout

Quote by Elizabeth Strout

“Verdriet is zoiets- o, het is zoiets éénzaams; dat is het beangstigende ervan, denk ik. Het is alsof je langs de glaswand van een heel hoog gebouw naar beneden glijdt terwijl niemand je ziet.”

Quote by Elizabeth Strout

Work

Oh William!

Browse quotes and source details for this work. more

Author

Elizabeth Strout
Elizabeth Strout

Elizabeth Strout (born January 6, 1956) is an acclaimed American author known for her nuanced portrayals of small-town life and human complexity. Born in Portland, Maine, she grew up in a literary family. Strout won the Pulitzer Prize for Fiction in 2009 for her novel 'Olive Kitteridge,' which was adapted into an award-winning HBO miniseries. Her other notable works include 'Amy and Isabelle,' 'The Burgess Boys,' and 'Anything Is Possible.' Strout's writing often explores themes of loneliness, family, love, and loss through the lives of ordinary people. She is praised for her concise yet powerful prose and deep psychological insight. Her works have been translated into multiple languages and have a global readership. more

You May Also Like

“Het profetisch getuigenis van de kerk in een woedecultuur is om mensen te zijn die weten hoe we samen moeten huilen over de pijn en onrechtvaardigheid in de wereld en over de realiteit van onze eigen zonde en gebrokenheid. We moeten leren om te luisteren naar de angst en het verdriet onder de woede die mensen spuwen door politiek venijn en digitaal gif.”

“Door de pijnlijke wending die mijn leven onverwachts had genomen, de afgelopen jaren, wist ik één ding: ik wilde leven. Ik wilde blijven leven, en liefhebben, met mijn armen open zoals mijn moeder altijd door het leven was gegaan. En gezond blijven en genieten van dat leven en die gezondheid, samen met al die lieve mensen om me heen en samen met het verdriet. Verdriet gaat niet weg, maar het raakt op de achtergrond wanneer je hoofd en je hart nieuwe herinneringen en ervaringen krijgen. Het is echt zo: de scherpe randies gaan ervanaf. ledereen krijgt zijn portie, vroeg of laat. Het gaat er niet om wat er op je bordje komt, het gaat erom hoe je met dat volle bordje omgaat. Ik hoefde het verdriet om mijn moeder ook niet langer op te lossen, zoals ik liefdesverdriet altijd had willen oplossen, zoals ik mijn carrière altijd had willen regelen, zoals ik altijd mijn hele leven had willen regisseren. Ik neem mijn verdriet mee, onder mijn arm, welke vorm het ook in de toekomst zal aannemen.”

“Ik had, drie jaar oud, een huis-leeraar gekregen. Niet alleen dat men mij, om mijne eenzelvigheid, een bijzonder schrander kind achtte, maar dewijl over de straat een zeer arm onderwijzer woonde die veel kinderen had, lang ziek was geweest en nu behoefte had aan goed voedsel dat hij niet koopen kon, bracht mijne ouders tot het besluit dat ik mijne letters zou leeren. Ik zie dien leeraar nóg voor mij: een man als een magere muil-ezel, zoo van kop als van jagenden romp en oneindige, knokige leden. Aan hem is, evenzeer als aan mijn zeer geboeiden vlijt - ik leerde met ziekelijke gretigheid -, aan hem is een scherpe herinnering verbonden van gebraden vleesch op ongewone uren en aan eene bijzondere deftigheid mijner moeder. Zekeren dag had deze mij, ter gelegenheid van een geheimzinnigen Sinterklaas, ten behoeve van mijne lessen - zij hadden in de donkere achter-kamer plaats -, eene nieuwe lei gegeven, waar ik zeer blijde om was, want mijne moeder had er - wonderschoon docht mij, - een bloem-pot op gegriffeld met drie ontloken tulpen. Ik toonde de lei aan mijn meester; deze merkte mijn schroom-vollen trots niet, en veegde de tulpen uit met mijn sponsje en een beetje speeksel. - Mijn verdriet was onbedaarlijk: ik kreeg geen les dien dag. Zelfs als mijn moeder naar haar beste vermogen op de lei een nieuwen bloem-pot geteekend had, kwam een herhaalde tranen-bui mij overweldigen. Telkens herbegon mijn gehuil, dat mij van lieverlede als een behoefte was geworden. De nacht die daarop volgde, voor een goed deel slapeloos en koortsig, is de eerste van velen geweest waar ik mij verkneuterde in mijn verdriet, mijn verdriet overdreef...”

“Ik sluit mijn ogen en beeld me in dat de somberte die in mijn borst kolkt een ballatje is. Een kluwen van elektrisch roodoranje licht dat ik kan ophoesten en vasthouden. Een bol die zenuwachtig in mijn handen danst. Ik kan hem tot vlakbij mijn oor brengen en luisteren naar zijn geknetter. Ik kan er mijn vinger door halen, net als bij de vlam van de kaars. Ik kan zijn gloed voelen op mijn wangen".”