Quotessence
Home / Topics / Long Sentence Quotes

Long Sentence Quotes

Browse 3 quotes about Long Sentence.

Long Sentence Quotes

“Hij genoot van de verschillende afvalcontainers die overal stonden, van de ingeblikte groenten in de ziekenhuiskoele winkels – supermarkten werden ze genoemd –, hij genoot van de trams en hun heupdans die de passagiers heen en weer schudde wanneer zij klingelend een bocht maakten, hij genoot van de bomen die overal voor schaduw zorgden, compleet met een kroost van groene houten banken en een vuilnisbak, hij genoot van de grachten, die rimpelend een wiegenlied voor hem zongen, hij genoot van de vooroverhellende en schuine grachtenpanden, hij genoot van de standbeelden bedekt met patina en duivenuitwerpselen, hij genoot van het bruisen van zo veel mensenlevens, hij genoot van de pleinen en de onberispelijke kantoorgebouwen met ramen waarin het universum weerkaatste, van de vele straatbelichting, de neonreclames – de stad was 's nachts een ware boomgaard van kleurig neon –, hij genoot van de markten waar het rook naar gezouten vis, gebrande noten en kaas, van de vele eethuizen die met de mensen mee waren geëmigreerd, hij genoot van de fietsers die elke verkeersregel overtraden, hij genoot van het stille lawaai en de zinderende sensualiteit die de meisjes uitwasemden en van verliefde stellen die hun liefde op straat uitstalden voor voorbijgangers, hij genoot van het wolkenheer, van de regens en de buien, van de natte zonnen op regendagen als beslagen brillenglazen, van de regenplassen en hun weerspiegelingen, hij genoot van de chaos, van de beierd ver weg tussen het hooi van zijn doofheid, hij genoot van de duiven, van de zwervers met hun winkelwagentjes vol onbegrijpelijke huisraad, van de drankschuiten die over de effen straten kapseisden, zijwaarts hellend door een overbelaste lever, hij genoot van de sissende venters van genotsmiddelen, hij genoot van de drukke winkelstraten waar alles wat men nodig had te koop was en alles wat men niet nodig had, hij genoot van de rosse buurten en de uitstalling van vrouwelijk vlees, dat niet aan duitloze hem besteed was, van de vele kroegen en bars waarin klanten dronken en kwetterden en zich ontlastten zoals de vogels in de johannesbroodboom van Cheira en Heira, hij genoot van de welvaart die de mensen zichtbaar goeddeed, vooral de vrouwen met hun papieren tassen vol nieuwe aankopen in de weekeinden en hun ontspannen roddels en koetjes en kalfjes op terrassen, op vensterbanken achter de geraniums, hij genoot van de broeders die steeds in aantal toenamen en hem eerbiedig bejegenden wanneer hij hun bedwelmende koopwaar weigerde, met eerbied want hij was een van hem en het deed hem goed om te zien dat ze hoe dan ook werk hadden gevonden, hij genoot van de levendige rusteloosheid van dit alles, van de Amstel die voor verfrissing zorgde en het land bevloeide en het meest genoot hij van de ultieme wonderen in het park, dat hij nu betrad.”

“In employing the long sentence the inexperienced writer should not strain after the heavy, ponderous type. Johnson and Carlyle used such a type, but remember, an ordinary mortal cannot wield the sledge hammer of a giant. Johnson and Carlyle were intellectual giants and few can hope to stand on the same literary pedestal.”

“After his initial homecoming week, after he'd been taken to a bunch of sights by his cousins, after he'd gotten somewhat used to the scorching weather and the surprise of waking up to the roosters and being called Huascar by everybody (that was his Dominican name, something else he'd forgotten), after he refused to succumb to that whisper that all long-term immigrants carry inside themselves, the whisper that says You do not belong, after he'd gone to about fifty clubs and because he couldn't dance salsa, merengue, or bachata had sat and drunk Presidentes while Lola and his cousins burned holes in the floor, after he'd explained to people a hundred times that he'd been separated from his sister at birth, after he spent a couple of quiet mornings on his own, writing, after he'd given out all his taxi money to beggars and had to call his cousin Pedro Pablo to pick him up, after he'd watched shirtless shoeless seven-year-olds fighting each other for the scraps he'd left on his plate at an outdoor cafe, after his mother took them all to dinner in the Zona Colonial and the waiters kept looking at their party askance (Watch out, Mom, Lola said, they probably think you're Haitian - La unica haitiana aqui eres tu, mi amor, she retorted), after a skeletal vieja grabbed both his hands and begged him for a penny, after his sister had said, You think that's bad, you should see the bateys, after he'd spent a day in Bani (the camp where La Inca had been raised) and he'd taken a dump in a latrine and wiped his ass with a corn cob - now that's entertainment, he wrote in his journal - after he'd gotten somewhat used to the surreal whirligig that was life in La Capital - the guaguas, the cops, the mind-boggling poverty, the Dunkin' Donuts, the beggars, the Haitians selling roasted peanuts at the intersections, the mind-boggling poverty, the asshole tourists hogging up all the beaches, the Xica de Silva novelas where homegirl got naked every five seconds that Lola and his female cousins were cracked on, the afternoon walks on the Conde, the mind-boggling poverty, the snarl of streets and rusting zinc shacks that were the barrios populares, the masses of niggers he waded through every day who ran him over if he stood still, the skinny watchmen standing in front of stores with their brokedown shotguns, the music, the raunchy jokes heard on the streets, the mind-boggling poverty, being piledrived into the corner of a concho by the combined weight of four other customers, the music, the new tunnels driving down into the bauxite earth [...]”