“Könik wilde kisten bouwen waaruit je gemakkelijk zou kunnen opstaan. Daarom maakte hij de deksels van het dunste hout en hij zette ze vast met twee houten pennen die er van onderaf zo uitgetikt konden worden, in de kinderkistjes maakte hij zelfs geen pennen, hij legde de deksels er als een kap overheen, hij wilde de kinderen niet onnodig bang maken. Het hout dat hij had gedroogd, was maar voor korte tijd toereikend, algauw moest hij noodgedwongen dennen klieven en gebruiken als ze nog zo vers waren dat het hout onder de schaaf wel deeg leek. Eerst stierven namelijk de mannen, zij hadden grotere kisten nodig, de vrouwen en kinderen hielden het langer vol. Toen de mannen stierven waren er nog nabestaanden, meest vrouwen en kinderen, maar toen later de vrouwen en kinderen begraven moesten worden, toen waren er alleen nog maar een stuk of wat buren, en verre familieleden over. Het was gewoon zo, dat hoe meer er stierven, hoe minder nabestaanden er waren.” DodenPandemieDoodkistenNabestaanden Book:Light Source: Light
“Kuulin radiosta, äiti sanoi, että hän ei koskaan elänyt yhdessä miesten kanssa. Pelkästään naisten. Niin, sanoin minä. Niin se kai oli. Onko sillä väliä? äiti kysyi. Ei, sanoin, se ei kuulu meille. Mahtoiko hänellä olla siitä jotain iloa? äiti sanoi. Toivotaan niin, sanoin. Ihminen saa niin kauhean harvoin mitään iloa rakkaudesta, äiti sanoi.” RakkausIloPettymysSelma Lagerlöf Book:Minnen Source: Minnen
“Angla, zei moeder. Onze koe. Die kun je meenemen. Maar Karl Orsa was niet uit op Angla en ook niet op het geld; maar een ieder wordt verzocht, als hij door zijn eigen begeerten verlokt wordt; hij had zijn zinnen op moeder gezet. Een hele koe, zei moeder. Als dat niet genoeg is, weet ik het niet. Maar hij wilde niet, het leek wel of die koe hem moest worden opgedrongen. Het hooi is in maart toch op, zei moeder. We hebben toch niet genoeg. En wat moeten we dan beginnen? je kunt haar net zo goed meenemen. In het voorjaar hebben we toch alleen maar last van haar. Ten slotte kon hij er niet meer omheen, om die duivelse koe. Dan gaan we maar eens kijken, zei hij. Niet om het een of ander. Maar omdat jij er zo op aandringt, Tea. In de stal kneep hij zowaar in Angla en hij bekeek de poten en streek met zijn hand over de rug. Hoe oud is ze? vroeg hij. Ze wordt dit najaar tien, zei moeder. Vel over been, zei Karl Orsa, meer niet. En hij had gelijk, veel bijzonders was Angla niet. Een oude koe, zonder de minste levenslust. Ge kende zelfs Angla, Heer. Het was zoals het was. En Karl Orsa liet zijn blik langs de uiers gaan. Wondjes aan de spenen, zei hij. Lege uiers. Daarna wierp hij een steelse blik op moeder, zij had een volle, vaste boezem. Je kon zien dat hij dacht: die tieten. Maar voor de slacht? probeerde moeder. Als slacht-koe? Toen moest hij voor de tweede keer met zijn ogen en handen over Angla heen gaan, ook van slachtdieren had hij verstand. Veel vlees zit er niet aan, zei hij. Veel meer dan een skelet is het niet. Een lege ruiter. een scharminkel. Weer wierp hij een steelse blik op moeder en je kon zien dat hij dacht: vlees. Moeders laatste voorstel was: En de huid dan? Er blijft toch een koeiehuid over? Maar zelfs daar viel niet over te praten. Aan huiden heb je niets. Er is geen mens die huiden koopt. Vooral geen koeiehuiden. Er zijn heel wat meer koeiehuiden dan levende koeien. Wat een dwaze gedachte! Ook op de huid van moeder wierp hij een steelse blik, ze had blote armen en een blote hals en je kon zien dat hij nu zeker wist hoe de pacht voor dit jaar betaald zou worden.” MoederKoe Book:De weg van de slang ~ De schoonheid van Merab ~ Bathseba Source: De weg van de slang ~ De schoonheid van Merab ~ Bathseba