Quotessence
Home / Quotes / Quote by Jeaniene Frost

Quote by Jeaniene Frost

“You know what your problem is, Justina? You're in desperate need of a good shag." I downed a gulp of gin to cover the laugh that forced its way out. God, if I'd thought that once, I'd thought it a thousand times! She let out an outraged huff. Bones ignored it. "Not that I'm offering you one myself, mind. My days as a whore ended back in the seventeen hundreds.”

Quote by Jeaniene Frost

Work

One Foot in the Grave

Browse quotes and source details for this work. more

Author

Jeaniene Frost
Jeaniene Frost

Jeaniene Frost is an American fantasy novelist, best known for her vampire series. Her works blend elements of romance, horror, and fantasy, and have gained immense popularity among readers. more

You May Also Like

“Ochsen und Hammel darf das niedrige Volk ausweiden, aber Wild zerlegen ist ein heiliges Vorrecht der Hochgeborenen. Dieser entblößt sein Haupt, beugt sein Knie und schneidet mit dem eigens dafür bestimmten Weidemesser – irgendein beliebiges dafür zu verwenden, wäre eine Todsünde – mit bestimmten Handbewegungen bestimmte Stücke in bestimmter Reihenfolge andächtig heraus. Als handle es sich dabei um einen unerhörten und heiligen Vorgang, umringt ihn das Jagdgefolge, in Schweigen versunken und voller Bewunderung, obgleich es dieses Schauspiel mehr als Tausend Mal erlebt hat.”

“Zu dieser Gilde der Narren gehören auch die Leute, die schon zu Lebzeiten so minutiös festlegen, mit welchem Begräbnisprunk sie beigesetzt werden wollen, dass sie sogar ausdrücklich verfügen, wie viele Fackeln, wie viele Schwarzröcke, wie viele Sänger, wie viele Trauermimen sie dabei haben wollen, gerade, als ob einer dieses Schauspiel noch mit eigenem Sinne erleben könnte oder sich die Hingegangenen schämen müssten, wenn ihr Leichnam nicht glanzvoll in die Grube fährt.”

“Het zijn de nachten die het zwaar maken. Ik doe mijn ogen dicht en het licht gaat al aan in mijn kop. En dat licht is zo fel dat mijn ogen vanzelf weer opengaan en ik naar het donker begin te staren. In feite staar ik naar niks, want er is niks te zien. Niet om uit te houden is dat. De ene mens staat op en loopt rond, de andere neemt pillen, een derde telt schapen, een vierde begint te bidden. Ik blijf liggen en tel de schapen.”

“Zand. Zand. Dit leven. Gisteravond weer een zandstorm en er zit nog steeds zand in mijn ogen en mijn mond. Het zit altijd in mijn haar, net als de kriebelende luizen. Mijn kleren zijn zwaar van zand. Met elke beweging schep ik als een god een kleine stortbui, een zandstorm voor de luizen die op mij leven zoals ik misschien op de buik van een reus leef. Wij verkeren in het zand en het zand verkeert in ons. Ons voedsel knarst van het zand, maar we eten het toch. Alles bevat zand, alsof het een schat is: de waterkruiken, de kookpotten, de vodden waar we op slapen. De vacht van de kamelen is even verzadigd van zand en luizen als mijn huid en mijn haar. Wij zijn één, de kamelen en wij: onze huid is verweerd door de wind en de zon en het zand; het enige dat ons kan schelen is wat en wanneer we kunnen eten. We slapen zodra we kunnen. Ik zit hier wafels te maken van meel, als altijd met zand vermengd. Ik kijk naar de kamelen en zij liggen naar mij te kijken en wij hebben dezelfde ogen. Uit onze blikken spreekt dezelfde stomme wijsheid. Dat weet ik omdat de dichter het me heeft verteld.”

“Sumatra Sad smo bezbrižni, laki i nežni. Pomislimo: kako su tihi, snežni vrhovi Urala. Rastuži li nas kakav bledi lik, što ga izgubismo jedno veče, znamo da, negde, neki potok mesto njega, rumeno teče! Po jedna ljubav, jutro, u tuđini, dušu nam uvija, sve tešnje, beskrajnim mirom plavih mora, iz kojih crvene zrna korala, kao, iz zavičaja, trešnje. Probudimo se noću i smešimo, drago, na Mesec sa zapetim lukom. I milujemo daleka brda i ledene gore, blago, rukom.”