Quotessence
Home / Quotes / Quote by John Greenleaf Whittier

Quote by John Greenleaf Whittier

Work

John Greenleaf Whittier's Poetry: An Appraisal and a Selection

Browse quotes and source details for this work. more

Author

John Greenleaf Whittier
John Greenleaf Whittier

John Greenleaf Whittier was an American poet known for his sympathy towards the working class and his advocacy for social justice. His poetry extensively covered social, political, and moral issues, profoundly influencing American literature in the 19th century. more

You May Also Like

“Men heeft Wijsgeeren gehad, welken men dien naam toevoegde, om eenige zonderlinge grilligheeden, tot welken te pleegen hunne natuurgenooten niet besluiten konden. Een ongehavende baard, gescheurde klederen, onvoegzaame wooningen, zotte en strenge zeden, onhandelbaarheid in de zaamenleeving, en dergelijken waren de kenmerken hunner wijsgeerlijke waardigheid, en - tot schande der eeuwen, in welken zij leefden, - moet men zeggen, dat de volken veelal zelve de oorzaaken deezer belachlijke en afschuwelijke wanschepzels waren; vermits zij hen den naam van Wijsgeeren toekenden, en ze als de zodanigen eere beweezen.”

“De vrijheid, welke ik zelve gaarne wensch te genieten, volkomen aan mijne Natuurgenooten latende, verschilt het mij weinig, wien zij met den fraaiklinkenden naam van Wijsgeer bestempelen, zo lang men mij slegts niet dwinge, om ten deezen opzigte te gelooven, het geen anderen uit verkiezing of overtuiging zig verbeelden waar te zijn. - Nog minder verschilt het mij, of men den Wijsgeer, volgens mijn smaak, al of niet, voor zodaanig een gelieft te erkennen. - Mijne Wijsgeerte is, in alle dergelijke gevallen, de inschiklijkheid en verdraagzaamheid zelve.”

“Ik denk dat de tijd volkomen stilstaat en dat ik me erin beweeg, soms langzaam en soms met razende snelheid. Ik zit aan de tafel en de tijd staat stil. Ik kan hem niet zien, niet ruiken en niet horen maar hij omringt me aan alle kanten. Zijn stilte en zijn onbeweeglijkheid zijn verschrikkelijk. Ik spring op, ren het huis uit en probeer hem te ontvluchten. Ik ga iets doen, de dingen eisen mijn aandacht op en ik vergeet de tijd. En dan, heel plotseling, is hij weer om me heen. Misschien sta ik voor het huis naar de kraaien te kijken en daar is hij weer, immaterieel en stil, en hij houdt ons vast, de wei, de kraaien en mij. Ik zal aan hem moeten wennen, aan zijn onverschilligheid en zijn alomtegenwoordigheid.”

Book:The Wall