Quotessence
Home / Topics / Tijd Quotes

Tijd Quotes

Browse 36 quotes about Tijd.

Tijd Quotes

“Cynici zeggen dat het sterven begint bij de geboorte. Zoals bij iedere polariserende stelling zit daar iets van waarheid in. Ieder mens bereikt op een gegeven moment een punt waar zijn leven eindigt en het sterven begint. Een oneindig kleine, maar meetbare logische seconde waarin we een onzichtbare grens overgaan die het keerpunt van ons bestaan vormt. Achter die grens ligt dan alles wat we ooit als toekomst hebben beschouwd. En vóór ons is alleen nog de dood. Bij de meeste mensen ligt dat scheidingspunt ergens op het laatste kwart van hun levenslijn. Andere, die bijvoorbeeld aan een dodelijke ziekte lijden, lopen misschien al halverwege tegen die grens op. Bijna niemand overschrijdt die bewust. Slechts weinig mensen kunnen zeggen wanneer hun leven eindigt en het sterven begint. Zoals ik. Ik kan het je heel precies zeggen.”

“Ik denk dat de tijd volkomen stilstaat en dat ik me erin beweeg, soms langzaam en soms met razende snelheid. Ik zit aan de tafel en de tijd staat stil. Ik kan hem niet zien, niet ruiken en niet horen maar hij omringt me aan alle kanten. Zijn stilte en zijn onbeweeglijkheid zijn verschrikkelijk. Ik spring op, ren het huis uit en probeer hem te ontvluchten. Ik ga iets doen, de dingen eisen mijn aandacht op en ik vergeet de tijd. En dan, heel plotseling, is hij weer om me heen. Misschien sta ik voor het huis naar de kraaien te kijken en daar is hij weer, immaterieel en stil, en hij houdt ons vast, de wei, de kraaien en mij. Ik zal aan hem moeten wennen, aan zijn onverschilligheid en zijn alomtegenwoordigheid.”

Book:The Wall

“Het is tijd om te eisen van de gelovigen dat ze hun persoonlijke keuzes, voorkeuren en geloof aan niet-rationele en soms gevaarlijke zaken strikt in de privésfeer houden. Iedereen is absoluut vrij om te geloven wat ze willen, op voorwaarde dat ze anderen niet lastig vallen (of dwingen, of doden).. Maar niemand heeft het recht om privilegies te eisen op grond van het feit dat ze aanhangers zijn van een of ander van 's werelds vele godsdiensten.”

“Hij sloeg het notitieboekje dicht. Af en toe was hij in de stad een leerling of leerlinge tegengekomen aan wie hij jaren geleden les had gegeven. Het waren nu geen jongens en meisjes meer maar mannen en vrouwen met partners, beroepen en kinderen. Hij schrok als hij zag hoe hun gezicht was veranderd. Soms betrof zijn schrik het resultaat van de verandering: een te vroege verbittering, een opgejaagde blik, tekenen van een ernstige ziekte. Maar meestal was wat hem schrik aanjoeg het simpele feit dat de veranderde gezichten getuigden van het onstuitbare verstrijken van de tijd en het meedogenloze verval van alles wat leefde. Hij keek dan naar zijn handen waarop de eerste ouderdomsvlekken zichtbaar waren, en soms haalde hij foto's tevoorschijn van zichzelf als student en probeerde zich voor de geest te halen hoe het was geweest om die grote afstand af te leggen, dag na dag, jaar na jaar.”

“Als je de vijftig nadert en je op een rijtje gaat zetten wie van de mensen die je kent of over wie je hebt gehoord het slecht vergaan is, is dat heel heftig, het lijkt alsof het leven een harde en vreugdeloze beproeving is die niet veel mensen doorstaan zonder in het duister te worden neergedrukt. Maar zo is het niet, omdat de opsomming geen rekening houdt met de tijd, die enorme zee van dagen en nachten die alle gebeurtenissen verdunt en die constant expandeert en groter wordt. Iedere opsomming vertekent de werkelijkheid, en dat wat wij als ons leven zien, waarin de beslissende gebeurtenissen elkaar snel opvolgen, staat in verhouding tot de werkelijkheid als een kaart tot het terrein, of de sterren tot de sterrenhemel: van hier af lijkt de afstand ertussen heel klein, van hier af zijn ze net een school haringen, zo dicht als de sterren op elkaar zitten, maar als je erheen zou kunnen reizen, zou je begrijpen dat de waarheid over het heelal de ruimte ertussen is.”

“Steeds zie ik ons samen opdoemen in mijn geest en weer verdwijnen. Als jongens, als jongemannen en op latere leeftijd. We kijken allebei star voor ons uit. Het lijkt wel of we met elkaar vergroeid zijn, zo dicht lopen we tegen elkaar. Ik weet niet of we op weg zijn ergens naar toe of dat het zomaar een dwalen is. Er is geen angst want ik weet dat we elkaar niet kwijt kunnen raken.”

“Blindheid is een wapen tegen ruimte en tijd; ons bestaan is één ontzettende blindheid, op het weinige na dat we via ons nietig verstand – nietig zowel van nature als in zijn reikwijdte – waarnemen. Het dominerend principe in de kosmos is blindheid. Deze maakt een naast elkaar bestaan van dingen mogelijk, dat onmogelijk zou zijn wanneer ze elkaar zagen. Zij staat het afkappen van de tijd toe waar deze ondraaglijk is. Wat is bijvoorbeeld een kiemkorrel anders dan een brokje leven dat zich tot het opnieuw geroepen wordt in blindheid hult? Om de tijd, die een continuüm is, te ontgaan, bestaat maar één middel. Wanneer men van tijd tot tijd de ogen voor hem sluit, is het mogelijk hem in de stukken te breken die men van hem kent.”