Quotessence
Home / Topics / Dood Quotes

Dood Quotes

Browse 26 quotes about Dood.

Dood Quotes

“Ach, nou vergeet ik één ding te vertellen: de dominee was ook op bezoek, een zeer belezen en wijze man met een hoornen bril. Hij droeg een leuk pak en vrolijke schoenen. Hij praatte vaak met mij over Sartre, Hegel, Nietzsche, Kierkegaard en A Andersen. Als eerste heeft hij mij in contact gebracht met Winnie-the-Pooh. De dominee vond mij een aardige jongen en ik mocht hem ook wel. De dominee schreef in zijn vrije tijd gedichten en soms las hij ze aan me voor. Ze gingen haast altijd over de herfst en de dood.”

“Op mijn leeftijd ga je niet in één klap dood. Je bent als een huis waarvan de luiken worden gesloten, waar de meubels een voor een worden weggehaald, waar eerst het gas wordt afgesloten, dan het water, en ten slotte het licht, totdat de deur voor de laatste keer op slot wordt gedraaid en de sleutel wordt weggegooid. Een grappige gedachte. Niemand ziet het, maar ik glimlach.”

“Annamaria had me verzekerd dat ik in werkelijkheid maar één keer zou sterven, en dat die dood er op geen enkele manier toe zou doen. Iedereen kent echter dagen waarin we een beetje doodgaan, wanneer we verdriet of een nederlaag te verwerken hebben, of bang zijn, of anderen zien lijden die we enkel medelijden kunnen bieden, geen hulp, mensen die buiten de grenzen van onze genade vallen.”

“Geloof, hoop en liefde zijn, als je er goed over nadenkt, nagenoeg identiek. Je kunt een almachtige god scheppen naar je beeld en hem in alle onfeilbare goedertierenheid die je hem toebedenkt voor eeuwig in de hemel zetten, zodat je je onvoorwaardelijke liefde op hem kunt projecteren in de verwachting dat dat je leven verrijkt, of je kunt met diezelfde verwachting besluiten om je verlangens weerspiegeld te zien in een ander persoon wie je alle eigenschappen toedicht die je dierbaar zijn. In feite komt dat op hetzelfde neer. Blind vertrouwen in een groot verwonnen verhaal dat de futiliteit van onze sterfelijkheid overstijgt, is evenzeer als de overtuiging dat tegenslag noodzakelijkerwijs een prelude moet zijn op voorspoed en evenzeer als de aangeprate illusie dat de ander ons onvolmaakte bestaan als een perfecte wederhelft vermag te completeren, een in fictie gewortelde poging om in hemelsnaam iets te verzinnen waardoor het allemaal nog enige zin heeft. Geloof, hoop en liefde zijn drie min of meer inwisselbare manieren om de reeks willekeurige voorvallen die ons leven vormen te herschrijven en om er een verhaal van te maken dat ergens over gaat. Zo zijn wij mensen gemaakt van woorden. Maar hoewel het allemaal fictie is en hoewel het belangrijk is om dat te beseffen, geloof ik in die verhalen. Zij zijn de kern van wat ons mensen maakt. Zonder onze seksuele mythen, dagdromen en gedichten over de dood zouden we als angstige dieren staren in de felle koplampen van de oogverblindende zinloosheid die ons, zoals wij terdege beseffen, binnen luttlele momenten verplettert.”

“Ach, nou vergeet ik één ding te vertellen: de dominee was ook op bezoek, een zeer belezen en wijze man met een hoornen bril. Hij droeg een leuk pak en vrolijke schoenen. Hij praatte vaak met mij over Sartre, Hegel, Nietzsche, Kierkegaard en andersen. Als eerste heeft hij mij in contact gebracht met Winnie-the-Pooh. De dominee vond mij een aardige jongen en ik mocht hem ook wel. De dominee schreef in zijn vrije tijd gedichten en soms las hij ze aan me voor. Ze gingen haast altijd over de herfst en de dood.”

“De kist stond op het dressoir op een wit gehaakt kleedje waar met verjaardagen kaasstengels op stonden, nootjes, glaasjes met bowl, en net als bij feestjes stonden daar nu ook steeds mensen in een kringetje omheen, met hun neuzen in zakdoeken geduwd of in andermans nek. Ze zeiden mooie dingen over mijn broer, terwijl de dood lelijk was en zo taai als een verloren tijgernootje dat we dagen na een verjaardag ergens achter een stoel vonden, of onder de televisiekast.”

“Cynici zeggen dat het sterven begint bij de geboorte. Zoals bij iedere polariserende stelling zit daar iets van waarheid in. Ieder mens bereikt op een gegeven moment een punt waar zijn leven eindigt en het sterven begint. Een oneindig kleine, maar meetbare logische seconde waarin we een onzichtbare grens overgaan die het keerpunt van ons bestaan vormt. Achter die grens ligt dan alles wat we ooit als toekomst hebben beschouwd. En vóór ons is alleen nog de dood. Bij de meeste mensen ligt dat scheidingspunt ergens op het laatste kwart van hun levenslijn. Andere, die bijvoorbeeld aan een dodelijke ziekte lijden, lopen misschien al halverwege tegen die grens op. Bijna niemand overschrijdt die bewust. Slechts weinig mensen kunnen zeggen wanneer hun leven eindigt en het sterven begint. Zoals ik. Ik kan het je heel precies zeggen.”

“En wat me zo trof, en zowel schrik als troost met zich meebracht, was het besef dat de God die ik aanbid exact weet wat het is om te sterven. Hij weet wat de dood betekent voor mensen. Het is een ervaring waarvoor God zich niet te goed achtte om die te delen met mijn vader en met ieder van ons. Ik heb geen idee hoe het zal zijn om te sterven- maar Jezus wel. Hij kent het gevoel van zuurstoftekort in zijn cellen, van hartstilstand en verstikking. Er is geen duisternis waarin hij niet is afgedaald. Hij kent de structuur en de smaak van alles wat ik het meest vrees.”

“Het is een mooie kringloop, je moet er alleen niet een zin in willen ontdekken. Dat is misschien de enige les die er te leren valt. Gewoon als een blad naar de aarde kunnen tuimelen zonder dat je vindt dat je moet denken dat je vleugeltjes krijgt en weer omhoogvliegt het heelal in. De perzik van onsterfelijkheid is een aardig verzinsel, maar die vrucht heeft beslist geen pit. Het is maar een ezelsbruggetje naar de dood.”

“Een maand na de dood van mijn vader hield mijn moeder grote schoonmaak. Zijn geur moest worden weggeschrobd, zijn geest verjaagd. Ze zeulde de matras van zijn ziekbed naar buiten en gaf hem er stevig van langs met de mattenklopper. Scheerkwast, nagelborstel, tandenborstel, klerenborstel - de brand erin, zuiveren en de rest in een diepe kuil begraven - geen haar of schilfer mocht er van hem achterblijven. Na een dag luchten, waarbij de ramen in hun haakjes huilden, stak ze een kaars aan en liepen we drie keer met een bibbervlam om het huis, daarmee sneden we de negatieve krachten die ons omsingelden voorgoed af. Voortaan zou zijn woede de deur van ons huis niet meer kunnen vinden en zijn geschreeuw ons niet meer uit de slaap houden. Zo bande ze mijn driftige vader uit - met dweil, luiwagen, mattenklopper en lucifers. En door de tafel zo tegen de muur te schuiven dat alleen zij nog aan het hoofd kon zitten.”