Quotessence
Home / Topics / Filosofie Quotes

Filosofie Quotes

Browse 47 quotes about Filosofie.

Filosofie Quotes

“Literatura este un lucru misterios, în timp ce scrii și te afli în raport direct, mistic aproape, cu pagina albă de hârtie, îți dai seama că ești supus unor forțe imposibil de definit cu precizie. Cuvintele, odată eliberate, au dreptul la anumite inițiative. Ce orgoliu, să crezi că poți construi tu însuți o carte, cînd de fapt cuvintele te scriu pe tine și te construiesc!”

“Want wat is contact tussen mensen, tussen de mens en de wereld, tussen hem en zijn tijd, anders dan een substituut voor het contact dat geen vragen onbeantwoord laat? Dit boek gaat over de aard van dat verlangen. Over de voorstellingen die in plaats komen van wat we willen omarmen, maar wat we niet kunnen omarmen. En zo komt ook dit boek, net als ieder ander boek, in plaats van wat ik eigenlijk wilde zeggen, maar waar de woorden niet voor zijn.”

“Hij gaf me een college over individu, vrijheid en waardigheid, over de mens als subject en over het gegeven dat je hem niet tot object mag maken. ‘Herinner je je niet meer hoe verontwaardigd je als jongetje kon zijn wanneer mama beter wist dan jij wat goed voor je was? Hoever je daarbij met kinderen kunt gaan is al een werkelijk probleem. Het is een filosofisch probleem, maar de filosofie houdt zich niet met kinderen bezig. Dat heeft ze overgelaten aan de pedagogiek, waar het voor kinderen niet goed toeven is.”

“Postmoderniteit is een levenswijze die zich minstens sedert 1980 heeft verspreid over de postindustriële westerse samenleving in Europa, Noord-Amerika, Japan en Australië. Ze wordt gekenmerkt door gezinnen die steeds kleiner worden, door een sterk stijgend aantal echtscheidingen en minder huwelijken, door steeds meer buitenechtelijke geboortes, door een razendsnelle stijging van computer- en internet gebruik, door een forse stijging in het druggebruik, door steeds meer tijdsbesteding aan gaming, door een vals gevoel van toenemende vrijheid, door een stijging van de welvaart, enzovoort.”

“Het unieke van de Europese beschaving is dat deze wakker gekuste rede vervolgens in het reine moest zien te komen met een openbaring die de absolute waarheid pretendeerde te zijn. Wat dat betreft is het epicentrum van de Europese geschiedenis gelegen in de verhandelingen van de kerkvaders, die zich de opdracht hadden gesteld om hun ongeloofwaardige geloof met redeneringen van surrealistische schoonheid salonfähig te maken voor de heidense intelligentsia door het in harmonie te brengen met de illustere verworvenheden van de Griekse filosofie.”

“De kunstenaar kan dus iets overbrengen wat de filosofen niet kunnen uitdrukken?' 'Dat was de opvatting van de romantici. Volgens Kant kan de kunstenaar ongehinderd met zijn vermogens tot inzicht spelen. De Duitse dichter Schiller werkte de gedachten van Kant verder uit. Hij schrijft dat het werk van de kunstenaar een soort spel is, en alleen wanneer mensen spelen, zijn ze vrij, omdat ze dan hun eigen wetten maken. De romantici vonden dat alleen de kunst ons bij het "onuitsprekelijke" kon brengen. Sommigen gingen nog verder en vergeleken de kunstenaar met God.”

“De toneelschool waar ik in 1969 een jaar lang de afwas deed bevond zich in een oud kasteel in Devon, Dartington Hall, ooit een buiten van Hendrik de Achtste. Dartington was niet de ideale tussenstop op weg naar een filosofische faculteit. Het was onder meer een beroemde kostschool die werd bevolkt door een heerlijke troep artistiekerige jongelui die zichzelf te 'gevoelig' achtten voor zoiets 'rationeels' als de filosofie. Zij waren allemaal kunstenaars in de dop en geloofden heilig in het verschil tussen voelen en denken. Zij dansten, musiceerden en schilderden. Ik waste af. En 's avonds keken we allemaal naar de sterren. Ik wilde niet afwassen, ik wilde filosofie studeren, maar ik kende niemand die mij kon helpen of adviseren. In mijn onwetendheid had ik een boek van Karl Jaspers uit Nederland meegenomen: een Aula-pocket met de titel 'Kant'. Wat een teleurstelling. Ik kon het niet volgen en begon me een beetje grimmig te voelen tegenover die ongenaakbare citadel van filosofie, waarbinnen men naar ik hoopte aan de diepste vragen over mens, god en wereld sleutelde, zonder mij er evenwel in te laten. Ik kon tenminste nergens een toegang ontdekken en bleef buiten staan mokken, totdat ik op een dag in de familiebibliotheek in Darlington Russells 'History of Western Philosophy' ontdekte en voor onbeperkte tijd mocht lenen. UIt de sombere burcht die ik had opgedroomd, kwam deze opgewekte man naar buiten drentelen en met één handgebaar veegde hij mijn verongelijktheid weg. Met die ondeugende jongensachtige scherpte die het kenmerk is van zijn schrijven en denken, neemt Russell zijn lezers mee op een onvergetelijke reis door vijfentwintig eeuwen westerse filosofie. Je leest hem zo graag omdat je je steeds van zijn aanwezigheid bewust bent, terwijl hij Plato, Augustinus of Descartes voor je uitlegt. Afgezien van al die filosofen, kom je in dit boek vooral ook Bertrand Russell tegen en dat is een onvergetelijke ontmoetong.”

“Van de geschiedenis van de filosofie leren betekent niet haar zonder bedenkingen accepteren. Met behulp van haar inzichten kunnen we enig licht werpen op de onze. We kunnen niet op dezelfde stellingen terugvallen die eerder door de denkers van de Verlichting werden verdedigd, zelfs niet op die van haar modernste vertegenwoordigers. Misschien ligt de hoop niet in het beantwoorden van de vraag naar de zin van het leven, maar juist in het verwerpen van die vraag.”

“Lidský intelekt, tak, jak si jej my představujeme, není nikterak onen, který nám líčil Platón v alegorii o jeskyni. Není právě tak jeho úlohou, aby pozoroval jak míjejí prázdné stíny, jako aby zřel, ohlížeje se za sebe, hvězdu zrak oslňující. Má dělati něco jiného. Zapřaženi jako voli oráčovi do těžké práce, cítíme hru svých svalů a kloubů, tíhu pluhu a odpor půdy: jednati a věděti o sobě, že jednáme, vstupovati ve styk se skutečností a dokonce ji žíti, avšak jen v mezích jejího významu pro dílo, které se dokonává, a pro brázdu, která se táhne, takový jest úkol lidského intelektu. A přece koupeme se v blahodárném fluidu, z něhož čerpáme samu sílu k práci a životu. Z tohoto oceánu života, do něhož jsme ponořeni, vdechujeme ustavičně něco a cítíme, že naše bytost, nebo alespoň intelekt, který ji vede, vytvořil se tu jakýmsi místním ztužením. Filosofie může být jen úsilím, jak znovu rozplynouti se v celku. A intelekt, resorbuje-li se ve svém principu, prožije zas naruby svou vlastní genesi. Avšak takový podnik nebude již moci dovršiti se na ráz; bude nutně hromadný a postupný. Bude záležeti na výměně dojmů, které opravujíce se vzájemně a též na sebe se kladouce, posléze rozšíří v nás lidství a dosáhnou toho, že půjde nad sebe samo.”

“De beschaving is wezenlijk hypocriet , dat wil zeggen zowel gehecht aan het Ware als aan het Goede, die voortaan elkaars tegenspelers zijn. Het is misschien tijd om in de hypocrisie niet slechts een toevallig kwalijk gebrek van de mens te zien, maar de diepe verscheurdheid van een wereld die tegelijkertijd gehecht is aan filosofen en aan profeten.”

“Ik denk dat het absurde een eigenschap is van de kunstenaar sinds de 20ste eeuw. Vanaf de 20ste eeuw is kunst absurd geworden. Ook al in de romantiek was kunst al nutteloos, volgens de kunstenaars die het zelf beoefenden. En dat is typisch een eigenschap van de romantiek, en dat is nu net op een moment, tijdens de romantiek, dat de industriële revolutie opkomt, er achteraankomt, en waar alles gericht is op wat nuttig is, nut. Ook in onze maatschappij van vandaag bijvoorbeeld stellen wij vast dat alles moet evolueren, de productiemachine moet werken, het geld moet winst maken, er is een soort machinerie op gang gekomen waarbij je dus altijd het gevoel moet hebben dat we stijgen, Merkel, de president van Duitsland, die roept het langs alle daken: wir müssen Deutschland terug aan die Spitzen brengen. Versta je, dus altijd maar, je kunt niet hoger, versta je, en dat is op zichzelf al absurd.”

“Men heeft Wijsgeeren gehad, welken men dien naam toevoegde, om eenige zonderlinge grilligheeden, tot welken te pleegen hunne natuurgenooten niet besluiten konden. Een ongehavende baard, gescheurde klederen, onvoegzaame wooningen, zotte en strenge zeden, onhandelbaarheid in de zaamenleeving, en dergelijken waren de kenmerken hunner wijsgeerlijke waardigheid, en - tot schande der eeuwen, in welken zij leefden, - moet men zeggen, dat de volken veelal zelve de oorzaaken deezer belachlijke en afschuwelijke wanschepzels waren; vermits zij hen den naam van Wijsgeeren toekenden, en ze als de zodanigen eere beweezen.”

“De vrijheid, welke ik zelve gaarne wensch te genieten, volkomen aan mijne Natuurgenooten latende, verschilt het mij weinig, wien zij met den fraaiklinkenden naam van Wijsgeer bestempelen, zo lang men mij slegts niet dwinge, om ten deezen opzigte te gelooven, het geen anderen uit verkiezing of overtuiging zig verbeelden waar te zijn. - Nog minder verschilt het mij, of men den Wijsgeer, volgens mijn smaak, al of niet, voor zodaanig een gelieft te erkennen. - Mijne Wijsgeerte is, in alle dergelijke gevallen, de inschiklijkheid en verdraagzaamheid zelve.”