Quotessence
Home / Quotes / Quote by A.J. Beirens

Quote by A.J. Beirens

“En waar haalt deze god het lef vandaan om de mensen te vertellen hoe ze hun kinderen moeten opvoeden, terwijl hij de zijne deed verdrinken?”

Quote by A.J. Beirens

Author

A.J. Beirens

Browse famous quotes and profile details for A.J. Beirens. more

You May Also Like

“De toneelschool waar ik in 1969 een jaar lang de afwas deed bevond zich in een oud kasteel in Devon, Dartington Hall, ooit een buiten van Hendrik de Achtste. Dartington was niet de ideale tussenstop op weg naar een filosofische faculteit. Het was onder meer een beroemde kostschool die werd bevolkt door een heerlijke troep artistiekerige jongelui die zichzelf te 'gevoelig' achtten voor zoiets 'rationeels' als de filosofie. Zij waren allemaal kunstenaars in de dop en geloofden heilig in het verschil tussen voelen en denken. Zij dansten, musiceerden en schilderden. Ik waste af. En 's avonds keken we allemaal naar de sterren. Ik wilde niet afwassen, ik wilde filosofie studeren, maar ik kende niemand die mij kon helpen of adviseren. In mijn onwetendheid had ik een boek van Karl Jaspers uit Nederland meegenomen: een Aula-pocket met de titel 'Kant'. Wat een teleurstelling. Ik kon het niet volgen en begon me een beetje grimmig te voelen tegenover die ongenaakbare citadel van filosofie, waarbinnen men naar ik hoopte aan de diepste vragen over mens, god en wereld sleutelde, zonder mij er evenwel in te laten. Ik kon tenminste nergens een toegang ontdekken en bleef buiten staan mokken, totdat ik op een dag in de familiebibliotheek in Darlington Russells 'History of Western Philosophy' ontdekte en voor onbeperkte tijd mocht lenen. UIt de sombere burcht die ik had opgedroomd, kwam deze opgewekte man naar buiten drentelen en met één handgebaar veegde hij mijn verongelijktheid weg. Met die ondeugende jongensachtige scherpte die het kenmerk is van zijn schrijven en denken, neemt Russell zijn lezers mee op een onvergetelijke reis door vijfentwintig eeuwen westerse filosofie. Je leest hem zo graag omdat je je steeds van zijn aanwezigheid bewust bent, terwijl hij Plato, Augustinus of Descartes voor je uitlegt. Afgezien van al die filosofen, kom je in dit boek vooral ook Bertrand Russell tegen en dat is een onvergetelijke ontmoetong.”

“Van de geschiedenis van de filosofie leren betekent niet haar zonder bedenkingen accepteren. Met behulp van haar inzichten kunnen we enig licht werpen op de onze. We kunnen niet op dezelfde stellingen terugvallen die eerder door de denkers van de Verlichting werden verdedigd, zelfs niet op die van haar modernste vertegenwoordigers. Misschien ligt de hoop niet in het beantwoorden van de vraag naar de zin van het leven, maar juist in het verwerpen van die vraag.”

“Lidský intelekt, tak, jak si jej my představujeme, není nikterak onen, který nám líčil Platón v alegorii o jeskyni. Není právě tak jeho úlohou, aby pozoroval jak míjejí prázdné stíny, jako aby zřel, ohlížeje se za sebe, hvězdu zrak oslňující. Má dělati něco jiného. Zapřaženi jako voli oráčovi do těžké práce, cítíme hru svých svalů a kloubů, tíhu pluhu a odpor půdy: jednati a věděti o sobě, že jednáme, vstupovati ve styk se skutečností a dokonce ji žíti, avšak jen v mezích jejího významu pro dílo, které se dokonává, a pro brázdu, která se táhne, takový jest úkol lidského intelektu. A přece koupeme se v blahodárném fluidu, z něhož čerpáme samu sílu k práci a životu. Z tohoto oceánu života, do něhož jsme ponořeni, vdechujeme ustavičně něco a cítíme, že naše bytost, nebo alespoň intelekt, který ji vede, vytvořil se tu jakýmsi místním ztužením. Filosofie může být jen úsilím, jak znovu rozplynouti se v celku. A intelekt, resorbuje-li se ve svém principu, prožije zas naruby svou vlastní genesi. Avšak takový podnik nebude již moci dovršiti se na ráz; bude nutně hromadný a postupný. Bude záležeti na výměně dojmů, které opravujíce se vzájemně a též na sebe se kladouce, posléze rozšíří v nás lidství a dosáhnou toho, že půjde nad sebe samo.”

“De beschaving is wezenlijk hypocriet , dat wil zeggen zowel gehecht aan het Ware als aan het Goede, die voortaan elkaars tegenspelers zijn. Het is misschien tijd om in de hypocrisie niet slechts een toevallig kwalijk gebrek van de mens te zien, maar de diepe verscheurdheid van een wereld die tegelijkertijd gehecht is aan filosofen en aan profeten.”