Quotessence
Home / Authors / Jan Wolkers

Jan Wolkers Quotes

Author

Filter quotes by topic

Famous Jan Wolkers Quotes

“De zon was een matrode schijf met een vurige rand om de bovenronding tegen een egaalgrijze lucht. Op het water wat rode slierten zoals schilders dat soms doen om weerspiegeling weer te geven. Ervoor vlogen grote sterns vissend heen en weer. Van een meter of tien lieten ze zich vallen, boorden het water in dat opspatte alsof er een steen in werd gegooid. Even later kwamen ze weer boven water. Kierrr... kierrik!”

“Het is een mooie kringloop, je moet er alleen niet een zin in willen ontdekken. Dat is misschien de enige les die er te leren valt. Gewoon als een blad naar de aarde kunnen tuimelen zonder dat je vindt dat je moet denken dat je vleugeltjes krijgt en weer omhoogvliegt het heelal in. De perzik van onsterfelijkheid is een aardig verzinsel, maar die vrucht heeft beslist geen pit. Het is maar een ezelsbruggetje naar de dood.”

“Steeds zie ik ons samen opdoemen in mijn geest en weer verdwijnen. Als jongens, als jongemannen en op latere leeftijd. We kijken allebei star voor ons uit. Het lijkt wel of we met elkaar vergroeid zijn, zo dicht lopen we tegen elkaar. Ik weet niet of we op weg zijn ergens naar toe of dat het zomaar een dwalen is. Er is geen angst want ik weet dat we elkaar niet kwijt kunnen raken.”

“Hier is de tijd van de grote schoonmaak aangebroken. Het luchtig decor van dorre staketsels, die de tuin bij rijp en ijzel een kil maar feeëriek aanzien gaven en die droefgeestig leken te kermen in de wind, gaat onherroepelijk neer. Zondag jongstleden hebben we het verbleekt gebeente, omzichtig rondstappend want overal bleken groengele puntjes van de uitlopende bollen door de smeltende sneeuw heen te boren, aan stukken gekraakt en in een oude vuilnisemmer verbrand. De tuin was bij tijd en wijle gedompeld in een blauw waas waar we doorheen doolden als schimmen. Het is verwonderlijk zo'n nietig laagje als er op de bodem van de emmer overblijft van al dat uitbundige groene leven van verleden jaar zomer.”

“Vriendelijk en dynamisch,' zei hij terwijl hij naar de tafel liep en een stoel voor haar klaarzette. 'Bent u dat,'vroeg ze met een glimlach en ging zitten terwijl ze haar schort strak trok over haar billen. 'Wel geweest,' zei hij spottend. 'Op het uitsloverige af. Als ik daaraan denk heb ik reuze spijt. Wat ben ik lief en goed geweest voor de mensen. Wat een naïef geloof heb je als je jong bent. In iedereen, in de hele mensheid. Maar er verzuurt veel in de loop der jaren. De meeste mensen blijken gewoon zelfzuchtige rotzakken te zijn die het goorste ochtendblad lezen en naar de walgelijkste televisieprogramma's kijken. Ze hebben een pisbiertje binnen handbereik en een karrevracht nepzoutjes en het lijkt allemaal vrij vredig, maar ze zijn net zo gemakkelijk op te stangen als Hitler indertijd heeft gedaan met het duitse volk. Illusies hoef je je niet te maken. Er is niet de minste hoop. Het ergste is dat je bij de grote klap met al dat tuig samensmelt. Dat er geen olifantenkerkhof is waar je je waardig neer kan vlijen.”