Quotessence
Home / Quotes / Quote by Leopold II

Quote by Leopold II

“In die wijde, nog barbaarsche, doch zooveel voor de toekomst belovende streken, kunnen de Europeanen niet te talrijk zijn, en zij hebben er het grootste belang bij elkander aldaar onderling bij te staan en er, om zoo te zeggen, een gemeenschappelijken grondslag voor hunne werkzaamheid te leggen.”

Quote by Leopold II

Author

Leopold II

Browse famous quotes and profile details for Leopold II. more

You May Also Like

“The report quotes an earlier report on the Belgian Congo of 1919 which claimed that the population “has been reduced one-half.” It quotes this claim in order to state that it is almost certainly false. That is because population estimates for the Belgian Congo varied widely and remained pure guesswork. They were of “little value in drawing any precise conclusions.” The only firm conclusion it reached was that population was not increasing. The causes were multiple, including sleeping sickness, inter-tribal warfare, poor nutrition, female trafficking, polygamy, and the working conditions for men in European industrial and commercial enterprises.”

“Het was mij nog niet gegeven, mij tot de gansche Natie te richten. Nochtans, Mijne Heeren, zal ik nimmer met verkleefder en erkentelijker gemoed tot haar kunnen spreken. De toejuichingen, waarmede het Belgische Volk mijne intrede in deze vergadering wel begroeten wil, bewijzen mij nog eens te meer, dat het, over zijn verleden voldaan, niets beter wenscht dan de voortzetting er van in de toekomst. Dat is inderdaad, Mijne Heeren, het doel waarnaar wij te zamen moeten streven. Wat mij betreft, gij kent de gevoelens, die mij bezielen. Gij weet dat ik, oprecht aan ’'s Lands bestaan verknocht, het vereenzelvig met het mijne. Immer zult gij in mij een landgenoot vinden, gelukkig en fier om tot de handhaving van onze onafhankelijkheid en onzen voorspoed te kunnen bijdragen.”

“Heeft de Voorzienigheid ons uitstekende toonzetters, beeldhouwers en schilders ten overvloede geschonken, ook bezitten onze provinciën sehrijvers, die wisten uit te munten en, zoo in ’t Fransch als in ’t Vlaamsch, gedurende de vijf en twintig jaren, die sedert onze onafhankelijkheid verliepen, meer dan één merkwaardig werk wisten voort te brengen. Die uitslag is merkwaardig, want eene wijze staatkunde leert ons dat een volk, wien zijn onafhankelijk. bestaan nauw aan het harte ligt, er prijs moet aan hechten eene eigen gedachte te hebben, ze in een eigen vorm te kleeden en dat, met één woord, de letterkundige roem de kroon zet op ieder nationaal gebouw.”

“Volgt uwe geburen na, breidt u uit aan den overkant der zeeën, telkens als gij daartoe de gelegenheid zult hebben, en gij zult er kostelijke uitvoerwegen voor uwe voortbrengselen vinden, bedrijvigheid voor uwen handel; werk voor al de arbeids- krachten, die wij thans niet gebruiken kunnen; plaats voor den overvloed onzer bevolking; nieuwe inkomsten voor de schatkist, die wellicht eenmaal aan onze Regeering zouden toelaten, naar het voorbeeld der Nederlandsche, de belastingen in het moederland te verminderen; eindelijk eene gewisse vermeerdering van macht en een nog beteren toestand in het centrum van het groot Europeesch gezin.”

“Evenals de mensch heeft eene Natie haar proeftijd, en ’t is juist tusschen vijf-en-zeventig en honderd jaar, dat men zien kan of zij wel bepaald gaat groeien of verkwijnen. Wat geeft het dat hare grenzen eng zijn? Zagen wij niet kleine Staten zich in de geschiedenis vereeuwigen? Iser niet in Griekenland een klein monument, het Parthenon, welks harmonie en evenredigheid van lijnen, sinds tweeduizend jaar, de bewondering der volken afdwingen.”