“De eigenste trek tot het geheimzinnige en bovenaardsche openbaart zich bij Prutske in hare groote belangstelling voor alles wat er aan het uitspansel gebeurt en den onderkant van den hemel vormt, 's Avonds, voor aleer naar bed te gaan, vraagt Prutske dikwijls om nog eens de maan en de sterren te zien en hun goenavond te zeggen; bij dage volgt zij gaarne den drijf der wolken en over al de verschijnselen van het uitspansel vraagt zij uitleg en 't bedied. De zon en de maan beschouwt Prutske als bezielde en bevriende wezens, die met ons in nauwe betrekking staan; in de wolken ziet zij schepen, reuzen, kasteelen, monsters die boven onze hoofden heendrijven; doch telkens er in den vorm of kleur iets bijzonders te bemerken valt, roept zij er iemand bij en vraagt: - Wat gebeurt er, of wat doen ze nu in den hemel? Tegen avond, wanneer de westereinder gloeiend rood uitslaat en de laatste zonnestralen als vimmen van een waaier hoog opgespreid staan, wanneer de wolken gelijk goudklompen aan den hemel gestapeld liggen, is 't Sinterklaas die zijnen oven stookt om koeken te bakken. Wanneer de wind het zwerk heeft schoongeveegd en de wolken gelijk vlokkig schuim opgerafeld en in vegen uiteengebezemd ronddrijven, dan zijn de engelen in den hemel aan de wasch en doen ze de zeeploog in 't ronde schuimen. Ander keeren is 't de groote schoonmaak, hebben de Heiligen deuren en vensters opengezet om den hemel eens terdege te verluchten.” WindMaanZonSinterklaasWolkenHemelBelangstellingKleurUitspansel Book:Prutske Source: Prutske
“Ga nu maar rap naar huis slapen,’ zei Sinter-Klaas tot Ceciliatje, ‘we brengen seffens het schip....’ Het kind ging naar huis, maar 't sliep niet, en zat onder den schoorsteenmantel met het kussen op zijn armkens, naar de nederdaling van het schip te wachten. De maan zag juist in het arm-triestig plaatsken. Hé, wat zag Ceciliatje ineens! Ginder op een blinkenden manestraal klabetterde het ezeltje omhoog, met op zijn rug Sinter-Klaas; en Zwarte Piet liet zich meeslijpen met den staart van 't ezeltje vast te houden. De maan ging open; een zacht groot licht viel in vonkelende regenboogkleuren over de besneeuwde wereld, Sinter-Klaas groette naar de aarde, trad binnen, en weer was het gewone groenmaneschijne nacht. Ceciliatje meende te gaan weenen. Zwarte Piet of de goede Heilige hadden het schip niet gebracht. 't Lag niet op het kussen. Maar zie! Wat geluk, het schip ‘de Congo’ stond daar, daar in de koude assche, zonder kneus of berst, glanzend van zilver, en wel voor 7½ centen witten wat smorend uit zijn twee schouwpijpen! Hoe kon het zijn! Hoe was dat zoo stil gebeurd?.... Dat weet nu juist niemand, dat is de kundigheid en 't glanzend vernuft van Zwarte Piet, en dat leert hij aan niemand voort.” ArmoedeSinterklaasHemelEzelManestraalSchipZwarte Piet Book:De Nood van Sinter-Klaas Source: De Nood van Sinter-Klaas