Quotessence
Home / Quotes / Quote by Johan Daisne

Quote by Johan Daisne

“Zodra Maaike weer bij haar pleegouders was, in de vriendelijke ouderwetse huiskamer met de reusachtige twee honden die haar om strijd zoentjes van besnuffeling kwamen geven, zonken de donkere weg en het probleem der afstanden in vergetelheid. Het kind burgerde zich aardig in bij de onderwijzer, en op school, waar het eerst zo babyachtig onbeholpen toe had staan kijken, was het zich nu dapper aan het ontvoogden op de speelplaats. En om beurten kwamen Sinterklaas, de Kerstman en Sint-Silvester de laatste blaadjes van de kalender plukken. In Jasamski stond een wreed versje over Sinterklaas: Je liet ons in de steek, het kind gelijk de vader. Word s.v.p. niet week wanneer nu Klaasdag nadert. Bespaar ons je geschenken. Al kocht je er een hoop, ze kosten zorg noch denken, ze zijn al te goedkoop. Zij die de ‘vrijheid’ kozen (zo heet thans het verraad) hebben als heimatlozen slechts recht nog op de straat! Maar de ware wreedaard, waartegen de dichter zich slechts met woorden probeert te verweren, zijn de daden en tekortkomingen der werkelijkheid: Sinterklaas ging voorbij zonder zelfs een prulletje van Max. Hij had ook geen Néné meer van wie het lieve geldje te lenen.”

Quote by Johan Daisne

Work

Lago Maggiore

Browse quotes and source details for this work. more

Author

Johan Daisne

Browse famous quotes and profile details for Johan Daisne. more

You May Also Like

“De eigenste trek tot het geheimzinnige en bovenaardsche openbaart zich bij Prutske in hare groote belangstelling voor alles wat er aan het uitspansel gebeurt en den onderkant van den hemel vormt, 's Avonds, voor aleer naar bed te gaan, vraagt Prutske dikwijls om nog eens de maan en de sterren te zien en hun goenavond te zeggen; bij dage volgt zij gaarne den drijf der wolken en over al de verschijnselen van het uitspansel vraagt zij uitleg en 't bedied. De zon en de maan beschouwt Prutske als bezielde en bevriende wezens, die met ons in nauwe betrekking staan; in de wolken ziet zij schepen, reuzen, kasteelen, monsters die boven onze hoofden heendrijven; doch telkens er in den vorm of kleur iets bijzonders te bemerken valt, roept zij er iemand bij en vraagt: - Wat gebeurt er, of wat doen ze nu in den hemel? Tegen avond, wanneer de westereinder gloeiend rood uitslaat en de laatste zonnestralen als vimmen van een waaier hoog opgespreid staan, wanneer de wolken gelijk goudklompen aan den hemel gestapeld liggen, is 't Sinterklaas die zijnen oven stookt om koeken te bakken. Wanneer de wind het zwerk heeft schoongeveegd en de wolken gelijk vlokkig schuim opgerafeld en in vegen uiteengebezemd ronddrijven, dan zijn de engelen in den hemel aan de wasch en doen ze de zeeploog in 't ronde schuimen. Ander keeren is 't de groote schoonmaak, hebben de Heiligen deuren en vensters opengezet om den hemel eens terdege te verluchten.”

“Ga nu maar rap naar huis slapen,’ zei Sinter-Klaas tot Ceciliatje, ‘we brengen seffens het schip....’ Het kind ging naar huis, maar 't sliep niet, en zat onder den schoorsteenmantel met het kussen op zijn armkens, naar de nederdaling van het schip te wachten. De maan zag juist in het arm-triestig plaatsken. Hé, wat zag Ceciliatje ineens! Ginder op een blinkenden manestraal klabetterde het ezeltje omhoog, met op zijn rug Sinter-Klaas; en Zwarte Piet liet zich meeslijpen met den staart van 't ezeltje vast te houden. De maan ging open; een zacht groot licht viel in vonkelende regenboogkleuren over de besneeuwde wereld, Sinter-Klaas groette naar de aarde, trad binnen, en weer was het gewone groenmaneschijne nacht. Ceciliatje meende te gaan weenen. Zwarte Piet of de goede Heilige hadden het schip niet gebracht. 't Lag niet op het kussen. Maar zie! Wat geluk, het schip ‘de Congo’ stond daar, daar in de koude assche, zonder kneus of berst, glanzend van zilver, en wel voor 7½ centen witten wat smorend uit zijn twee schouwpijpen! Hoe kon het zijn! Hoe was dat zoo stil gebeurd?.... Dat weet nu juist niemand, dat is de kundigheid en 't glanzend vernuft van Zwarte Piet, en dat leert hij aan niemand voort.”

“When you love someone, they become a part of who you are. They're in everything you do. They're in the air you breathe and the water you drink and the blood in your veins. Their touch stays on your skin and their voice stays in your ears and their thoughts stay in your mind. You know their dreams because their nightmares pierce your heart and their good dreams are your dreams too. And you don't think they're perfect, but you know their flaws, the deep-down truth of them, and the shadows of all their secrets, and they don't frighten you away; in fact you love them more for it, because you don't want perfect. You want them. You want—" He broke off then, as if realizing everyone was looking at him again. "You want what?" said Dru with enormous eyes. "Nothing," Julian said. "I'm just talking.”

“Het drong tot me door hoe vluchtig een gevoel van geluk kon zijn, en hoe kwetsbaar de basis daarvan was; van uit de regen een warm restaurant binnen lopen, de geur van voedsel en wijn, een boeiend gesprek, het buitenlicht dat zwakjes op de kersenhouten tafeltjes scheen. Er was maar weinig voor nodig om je humeur op een ander peil te brengen, als het schuiven met de stukken op een schaakbord. Dat besef alleen al, tijdens een moment van geluk, was alsof je een van de stukken verschoof en daardoor iets minder gelukkig werd.”