Quotessence
Home / Quotes / Quote by John Green

Quote by John Green

Work

The Fault in Our Stars

This novel delves into the profound relationship between two teenagers, Hazel and Gus, who share a rare cancer diagnosis. Their journey is marked by humor, heartache, and the search for meaning in a world that often seems unfair. more

Author

John Green
John Green

John Green is an American author known for his young adult literature. His works often explore themes such as adolescence, love, family, and identity, and have gained popularity among young readers. Green's books have won numerous literary awards and have become bestsellers. more

You May Also Like

“The storm broke then with a vivid flash of lightning and a great rumble of thunder which drowned every other sound. The Baron turned up the collar of his Burberry. ‘You go down that side, I’ll search this— we’ll find him, Becky. You’re not afraid of the storm?’ She was terrified, but her terror was quite wiped out by anxiety for Bertie. She shook her head and started off down the deserted street, peering through the pelting rain, searching the canal as well as every doorway and alley.”

“Hij genoot van de verschillende afvalcontainers die overal stonden, van de ingeblikte groenten in de ziekenhuiskoele winkels – supermarkten werden ze genoemd –, hij genoot van de trams en hun heupdans die de passagiers heen en weer schudde wanneer zij klingelend een bocht maakten, hij genoot van de bomen die overal voor schaduw zorgden, compleet met een kroost van groene houten banken en een vuilnisbak, hij genoot van de grachten, die rimpelend een wiegenlied voor hem zongen, hij genoot van de vooroverhellende en schuine grachtenpanden, hij genoot van de standbeelden bedekt met patina en duivenuitwerpselen, hij genoot van het bruisen van zo veel mensenlevens, hij genoot van de pleinen en de onberispelijke kantoorgebouwen met ramen waarin het universum weerkaatste, van de vele straatbelichting, de neonreclames – de stad was 's nachts een ware boomgaard van kleurig neon –, hij genoot van de markten waar het rook naar gezouten vis, gebrande noten en kaas, van de vele eethuizen die met de mensen mee waren geëmigreerd, hij genoot van de fietsers die elke verkeersregel overtraden, hij genoot van het stille lawaai en de zinderende sensualiteit die de meisjes uitwasemden en van verliefde stellen die hun liefde op straat uitstalden voor voorbijgangers, hij genoot van het wolkenheer, van de regens en de buien, van de natte zonnen op regendagen als beslagen brillenglazen, van de regenplassen en hun weerspiegelingen, hij genoot van de chaos, van de beierd ver weg tussen het hooi van zijn doofheid, hij genoot van de duiven, van de zwervers met hun winkelwagentjes vol onbegrijpelijke huisraad, van de drankschuiten die over de effen straten kapseisden, zijwaarts hellend door een overbelaste lever, hij genoot van de sissende venters van genotsmiddelen, hij genoot van de drukke winkelstraten waar alles wat men nodig had te koop was en alles wat men niet nodig had, hij genoot van de rosse buurten en de uitstalling van vrouwelijk vlees, dat niet aan duitloze hem besteed was, van de vele kroegen en bars waarin klanten dronken en kwetterden en zich ontlastten zoals de vogels in de johannesbroodboom van Cheira en Heira, hij genoot van de welvaart die de mensen zichtbaar goeddeed, vooral de vrouwen met hun papieren tassen vol nieuwe aankopen in de weekeinden en hun ontspannen roddels en koetjes en kalfjes op terrassen, op vensterbanken achter de geraniums, hij genoot van de broeders die steeds in aantal toenamen en hem eerbiedig bejegenden wanneer hij hun bedwelmende koopwaar weigerde, met eerbied want hij was een van hem en het deed hem goed om te zien dat ze hoe dan ook werk hadden gevonden, hij genoot van de levendige rusteloosheid van dit alles, van de Amstel die voor verfrissing zorgde en het land bevloeide en het meest genoot hij van de ultieme wonderen in het park, dat hij nu betrad.”

“Sometimes we make good choices. Sometimes we make bad ones, but we are not defined by our mistakes.” Her steady gaze, so much like Daddy’s, never left mine. “When I look at you I see so much more.” Something shifted deep inside me and a pang shot through my stomach. “But you don’t know,” I choked out. Aunt Sister squeezed my arm. “I know you, Mary.” I expected her to repeat the phrases I’d so often heard about how God knows everything and loves you anyway. But she didn’t. I guess she figured I already knew. I did. Sister reminded me without saying a word. I just wasn’t sure I completely believed it anymore.”