Quotessence
Home / Quotes / Quote by Tawny Lara

Quote by Tawny Lara

“By seeing how small the world is, I realize how capable I am. I can conquer anything. Anywhere. Anyone.”

Quote by Tawny Lara

Author

Tawny Lara

Browse famous quotes and profile details for Tawny Lara. more

You May Also Like

“The work was mind numbing yet somehow important. I was a tiny contributor to a large thing, bringing my offering under the watchful gaze of Almighty God. Chasing dust motes wasn’t as poetic as the gift of the little drummer boy, but it was the gift I had at the moment. I’m not sure what the elders would think of my musings. Daddy had always said the people were the church, but with it all empty and lemon-fresh scented, it felt more holy than it did on the usual Sunday, when it was full of powdery-cheeked ladies and men wearing suits. The quietness soothed me more than any choir. The stillness let me focus and actually see the play of light on stained glass windows. Without light, the windows would be as blank and lifeless as plain old regular, unsanctified panes.”

“The storm broke then with a vivid flash of lightning and a great rumble of thunder which drowned every other sound. The Baron turned up the collar of his Burberry. ‘You go down that side, I’ll search this— we’ll find him, Becky. You’re not afraid of the storm?’ She was terrified, but her terror was quite wiped out by anxiety for Bertie. She shook her head and started off down the deserted street, peering through the pelting rain, searching the canal as well as every doorway and alley.”

“Hij genoot van de verschillende afvalcontainers die overal stonden, van de ingeblikte groenten in de ziekenhuiskoele winkels – supermarkten werden ze genoemd –, hij genoot van de trams en hun heupdans die de passagiers heen en weer schudde wanneer zij klingelend een bocht maakten, hij genoot van de bomen die overal voor schaduw zorgden, compleet met een kroost van groene houten banken en een vuilnisbak, hij genoot van de grachten, die rimpelend een wiegenlied voor hem zongen, hij genoot van de vooroverhellende en schuine grachtenpanden, hij genoot van de standbeelden bedekt met patina en duivenuitwerpselen, hij genoot van het bruisen van zo veel mensenlevens, hij genoot van de pleinen en de onberispelijke kantoorgebouwen met ramen waarin het universum weerkaatste, van de vele straatbelichting, de neonreclames – de stad was 's nachts een ware boomgaard van kleurig neon –, hij genoot van de markten waar het rook naar gezouten vis, gebrande noten en kaas, van de vele eethuizen die met de mensen mee waren geëmigreerd, hij genoot van de fietsers die elke verkeersregel overtraden, hij genoot van het stille lawaai en de zinderende sensualiteit die de meisjes uitwasemden en van verliefde stellen die hun liefde op straat uitstalden voor voorbijgangers, hij genoot van het wolkenheer, van de regens en de buien, van de natte zonnen op regendagen als beslagen brillenglazen, van de regenplassen en hun weerspiegelingen, hij genoot van de chaos, van de beierd ver weg tussen het hooi van zijn doofheid, hij genoot van de duiven, van de zwervers met hun winkelwagentjes vol onbegrijpelijke huisraad, van de drankschuiten die over de effen straten kapseisden, zijwaarts hellend door een overbelaste lever, hij genoot van de sissende venters van genotsmiddelen, hij genoot van de drukke winkelstraten waar alles wat men nodig had te koop was en alles wat men niet nodig had, hij genoot van de rosse buurten en de uitstalling van vrouwelijk vlees, dat niet aan duitloze hem besteed was, van de vele kroegen en bars waarin klanten dronken en kwetterden en zich ontlastten zoals de vogels in de johannesbroodboom van Cheira en Heira, hij genoot van de welvaart die de mensen zichtbaar goeddeed, vooral de vrouwen met hun papieren tassen vol nieuwe aankopen in de weekeinden en hun ontspannen roddels en koetjes en kalfjes op terrassen, op vensterbanken achter de geraniums, hij genoot van de broeders die steeds in aantal toenamen en hem eerbiedig bejegenden wanneer hij hun bedwelmende koopwaar weigerde, met eerbied want hij was een van hem en het deed hem goed om te zien dat ze hoe dan ook werk hadden gevonden, hij genoot van de levendige rusteloosheid van dit alles, van de Amstel die voor verfrissing zorgde en het land bevloeide en het meest genoot hij van de ultieme wonderen in het park, dat hij nu betrad.”