Quotessence
Home / Topics / Oorlog Quotes

Oorlog Quotes

Browse 16 quotes about Oorlog.

Oorlog Quotes

“Hoe leg je uit wat weerloosheid is en tot wat een mens in staat kan zijn als uw toehoorder nooit heeft gevoeld wat het is om zelf een mogelijke smeerlap te zijn, dat het een zegen is en een vloek dat nooit te hebben gevoeld en dat woede in de fauteuil niks meer is dan schijnheiligheid die blind is voor zichzelf? Mensen zeggen al wel eens dat ge eerst in andermans schoenen moet staan voor ge echte kennis opdoet. Maar ook dat is schijnheilig, want met andermans schoenen wordt altijd weer bedoeld: die van het slachtoffer. Geen woord wordt er gerept over de schoenen van hen die zich misschien geprikkeld voelden om mee te doen. Voor ge de bloeddorst van een ander aanklaagt, van iemand die ge zelfs niet kent, zoudt ge verplicht moeten worden te ervaren wat heimelijke bloeddorst betekent die wordt aangemoedigd door hen die de touwtjes in handen hebben, wier spel gij meespeelt, of ge nu wilt of niet, de bloeddorst, met andere woorden, die ieder in zich heeft.”

“ge schrijft uw “kleine oorlog” ge zoudt liever een ander boek schrijven - groot schoon woelig juist - ge zoudt het dan noemen “dit zijn de vloeken en gebeden van den kleinen man tegenover den grooten oorlog, dit zijn zangen, dit is DE BIJBEL VAN DEN OORLOG” - op een anderen dag wenscht ge echter niets liever dan uw pen stuk te stampen op het vlak van uw schrijftafel - het is zeer plezierig zooiets, maar gij zijt verplicht u den dag daarna een nieuwe pen te koopen - want schrijven doet ge toch, het is een natuurlijke behoefte - de eene mensch vloekt zich dood, de andere loopt zijn kop op de muren stuk Gij schrijft uw Kleine Oorlog”

“Ze halen alles omlaag, en zo blijft er van het land helemaal niks over,” klaagde hij. “Wat halen ze omlaag, Vati? Alles is in de oorlog toch al stuk gebombardeerd?” probeerde ik te troosten. “Ach jongen, dat begrijp je toch niet. Laat ik het zo zeggen: er is wel wat overgebleven, maar dat breken die communisten ook nog af. Die willen een nieuwe maatschappij, met allemaal nieuwe gebouwen. En zelfs nieuwe mensen.” “Nieuwe mensen?” “Zie je wel: ik zei toch dat je het niet begrijpen zou! … Het komt nooit meer goed.”

“Toen ze de fabriek ontdekte, heel ver van het dorp, aan de randen van het gebied dat ze in een dag kon bereiken, liep ze er lang omheen zonder naar binnen te durven gaan. Ze werd weerhouden door het monsterlijke geluid dat ontsnapte uit het gebouw, omheind door twee rijen hoge hekken die in het midden waren ingestort en verwoest. Alles was verlaten. De hoofdingang stond open en daaruit ontsnapte een jammerklacht, half smeekbede, half uitgeputte woede, vergezeld door dunne rook met vonken die rook naar metaal, motorolie en verbrand elastiek.”

“Toch is geweld in mijn ervaring niet de uiting van wie werkelijk zijn, maar van de schending daarvan. Daarom is het zo belangrijk om onszelf te leren kennen. Wanneer onze basisbehoeften - liefde, erkenning, verbondenheid, zelfexpressie, zinvol leven en het gevoel echt te leven - niet worden bevredigd, als we er niet in slagen wat onze behoeften zijn, kunnen we allemaal gewelddadig worden.”

“Ik heb nooit, zoals als zij, geloofd in militaire triomfen in naam van God, volk of staat. Ik ben gepokt en gemazeld een Vlaming van de nooit-meer-oorloggeneratie. De lessen van het verspilde bloed aan Den IJzer, en in alle Europese loopgraven van '14-'18, zijn me met de paplepel ingegeven. Een goede oorlog? Dat is een tegenstrijdigheid in de bewoordingen.”

“Misschien zullen we wel het begrip ‘overwinning’ moeten herdefiniëren. In vroegere oorlogen won één van de partijen. De verliezer werd in de pan gehakt. Onvoorwaardelijke overgave. Nu heerst er een permanente strijd met een ongrijpbare, flexibele vijand die niet op een klassiek slagveld wordt uitgevochten. Totale overwinning, eliminatie van IS en haar gedachtegoed is onmogelijk. We moeten leren leven met een hoeveelheid geweld in onze samenleving, en dat geweld zal blijven.”

“Mocht mijn mening enig gezag hebben gehad, dan had ik qua beeld voor het schilderij van de Dulle Griet gepleit. Het is een wonder dat we dit bijzondere doek van de Oude Bruegel zomaar in een zaaltje van een klein museum kunnen bezichtigen, alleen dat al geeft aan wat we zijn in deze stad en het doek zelf geeft evenveel prijs. De terreur hangt daar open en bloot, het roven aan de mond van de hel. Het is niet omdat een mens er weinig moeite voor moet doen dat een onthulling geen onthulling blijkt. Die Dulle Griet raast en daast door een landschap vol oorlog en herinnering in felrood, bruin en zwart. Haar ogen staan wijd opengesperd zodat ze alles en niets ziet. Heeft zij deze verschrikking veroorzaakt of maakt ze louter deel uit van deze smeerlapperij en speelt ze het spel mee? Op een schone zaterdag moet ge toch eens naar dat museum gaan om het allemaal in u op te nemen.”

“Als de wind van de geschiedenis opsteekt kan een mens er zijn pet naar draaien in de hoop gespaard te blijven of wie weet een slaatje te slaan uit het toeval. Hij kan tegen de storm in proberen te lopen of zich een schuilplaats zoeken. Wie uiteindelijk overeind blijft en wie onder de wielen van de Moloch verpletterd wordt weet niemand, zelfs de goede God niet. We zijn muizen die in het looprad van het noodlot trappelen en we kunnen het tempo aan of niet. Geen sonnet heeft ooit de koers van de geschiedenis verlegd. De wereld is de wereld.”