Quotessence
Home / Topics / Dutch Literature Quotes

Dutch Literature Quotes

Browse 42 quotes about Dutch Literature.

Dutch Literature Quotes

“De bomen rond dit huis, dat in de duinen ligt, zijn kaal. Ik vind ze mooi. Zo dun en wuivend en doorzichtig, zoveel complexer van structuur dan ze in de zomer waren. Het is niet nodig voor een boom om altijd het lied van zomer, zomer, zomer te zingen. Pas in de winter kun je zien wat er achter al dat groen steekt. Zo hou ik ook van mensen die alle seizoenen kennen. Pas dan kun je zien wat ze waard zijn. Niet in voorspoed maar in tegenspoed. Pas dan wordt het leven een kunst.”

“De moeder van mijn moeder was een Javaansche vrouw. Meent u dat het geestig is, majoor, om mij daarom te bespotten? U hebt in Breda de academie doorloopen. Daar hebt u, toen u jong was, het een en ander moeten leeren van de Geschiedenis der Hollanders op Java. In die geschiedenis vindt u eindelooze reeksen opstanden waarbij Hollandsche moeders en kinderen werden vermoord. Moet u nu nog van mij leeren, hoe vaak het gebeurd is, dat Javaansche baboes met gevaar voor eigen leven getracht hebben de Hollandsche kinderen te redden, die aan haar zorgen waren toevertrouwd? Is u uit de geschiedenis der Hollanders op Java vergeten, majoor, hoeveel Javaansche vrouwen zich voor die kinderen aan stukken hebben laten hakken?…. Als u dat niet weet, dan kent u de geschiedenis van Nederlandsch-Indië slecht. En als u het wel weet, schaam u dan, als u iemand een sienjo noemt.”

“Sambal aristocraten, sinds ze sambal aten willen ze ook aristocraten zijn op hun manier. Je kent toch het spreekwoord: Le canaille de I’Europe, c’est la noblesse de I’Orient? Nou, dat is nu Tropenadel... En dat wil dan op Indos neerzien, op families die soms al eeuwen de werkelijke pionniers van Nederland in Indië waren. En op deze afgeven! Waarom? Omdat ze heel goed voelen, dat ze voor een groot deel in beschaving bij hen ten achter staan.”

“Van Hermans wordt al 1½ of 2 jaar een roman aangekondigd, maar ik zie nergens iets ervan, ook geen voorpublikaatsies. Louis Paul Boon schrijft niet meer, maar schildert nu. Richard Minne is dood, Jan van Nijlen is dood, Pierre Kemp is dood. Het holle vat Mulisch is van eigen verbeelding gebarsten, Wolkers absoluut ongenietbaar geworden. Het zo geestdriftig begroete talent Hamelink is verzand. De gehele markt, de gehele Nederlandse levende literatuur is voor mij — een gek idee, net alsof je een heel groot strandbad of koncertzaal voor jezelf alleen hebt. Het is niet echt leuk, & je wordt er nerveus van. Autorijden terwijl er nergens ook maar iemand op de weg is, dagen, jaren lang. Toch moet je rechts blijven houden, richting aangeven etc. etc. Vreemd, heel vreemd. Kwam Willem Frederik Hermans maar eindelijk weer eens met iets groots.”

“Kunt u me niet een onderwerp voor mijn doctoraalscriptie opgeven, professor? Nee, meneer, mevrouw, als het vak u niet voldoende boeit dat u zelf een onderwerp kunt bedenken, waarom moet ik dat dan voor u doen? Ja maar professor, andere professoren… Ik weet precies wat u bedoelt, meneer, mevrouw, andere professoren geven hun studenten probleempjes op, welzeker, onbelangrijke probleempjes die ze zelf niet de moeite waard vinden, maar als die dan zijn opgelost, zijn ze niet te beroerd er zelf een artikel over te schrijven. De student die het vuile werk gedaan heeft, mag blij wezen als hij als co-auteur wordt vermeld. Maar zo ben ik niet, begrijpt u?”

“Ik weet niet hoe u de wereld aanziet, mijnheer Jonas, maar u zal wel toegeven dat het een voordeel is als men dansen kan. Op ritmen het leven door te gaan, dat is de kunst. Nietwaar, waken bij dag, slapen bij nacht, eten, drinken, werken, rusten met een maat, genoegen en verdriet, het heeft alles een ritme. En als men dansen kan, verstaat men de kunst die dingen mooi te doen, dat is de kunst van te leven.”

“Er was geen goed of slecht in de wereld; alles was zooals het wezen moest en het gevolg van een aaneenschakeling van oorzaken en redenen; alles had recht van bestaan; niemand kon iets veranderen aan wat was of zijn zou; niemand had een vrijen wil; ieder was een gestel, een temperament en kon niet anders handelen, dan volgens de eischen van dat temperament, overheerscht door omgeving en omstandigheden; dàt was de waarheid, die de menschen steeds met hun kinderachtig idealisme, zeurend over deugd en met een handjevol religieuze poëzie, zochten te bedekken….”

“This bowl of bone covered with its lid and its movable hide, this was where it all came from: the other people, the world, the war, the dreams, the words, the deeds that seemed to happen so automatically as if one’s deeds were the world’s thoughts. You would need a second head to understand what the first head was, but I only had one, here in my hands, holding it in a way people never hold anything else. Yet, if not for the claims of scholars, you wouldn’t know your head was any different from your hand or foot.”

“Op de volgende statie van deze kruisweg zien wij hoe de eigenaar de kat met geweld door het luikje probeert te duwen. Maar daar zijn katten niet van gediend. Zij laten zich eerst als een harmonica in elkaar duwen, tot ze wel de helft korter zijn dan gewoonlijk, en zetten daarna of al meteen de tegenaanval in. Tenslotte neemt hij met geheven staart de benen en gaat zich op een veilige afstand zitten wassen.”

“Innaa lillayhi Wa Innaa Ilayhi Raaji'oon," prevelde Aïsha zachtjes voor zich uit. "wat zeg je?" vroeg Gillis nieuwsgierig. "Een gebed voor de doden. Zoals het hoort. Het betekent: Waarlijk wij behoren tot Allah, en tot Allah zullen wij wederkeren." Gillis was zzelf totaal niet gelovig, maar iets aan de manier waarop Aïsha dit had gezegd, deed hem begrijpen dat het gebed voor haar een emotionele betekenis had en dat hij hierop geen flauwe grappen moest maken.”