Quotessence
Home / Quotes / I Quotes

I Quotes

Browse famous quotes beginning with I. This page is a child index of the full Popular Quotes A-Z directory.

All I Quotes

“Ik constateer dat iedere minuut van je leven zit de staat om het hoekje, je stapt nog maar in je auto, je moet je veiligheidsgordel aan doen, decreet van de staat, je mag maar 120 per uur rijden, decreet van de staat, maar je mag wel 33% BTW betalen, aan de benzinepomp mag je wel 80% aan de staat afdragen, op ieder sigaret heb je weer staat, ik rook 7 pakjes per dag dus ik onderhoud de staat.”

“Ik dacht: dit is het gelach in de schaduw van de galg, zo klinken mensen die weten dat ze ten dode zijn opgeschreven, zo ziet een stad eruit die naar de verdommenis gaat. Diezelfde hysterie tref je aan in de beschrijving die Thucydides geeft wanneer de pest uitbreekt in Athene: 'Overweldigd door de hevigheid van de rampspoed, en niet wetend wat hen te doen stond, werden de mannen onverschillig [...] en de grote losbandigheid begon.' Net als de inwoners van Athene deden de Angolezen uit de musseque alsof het einde der tijden was aangebroken: een schreeuwerige, chaotische, bandeloze samenleving die op de rand van uitsterven verkeerde. Geen wanhopige mensen, maar mensen die dansten, die de kiduru en de kizomba deden, zoals Kalunga me uitlegde toen de meisjes in de sloppenwijk in het rond stonden te draaien en soms wat danspasjes invoegden onder het lopen. Het wemelde van de prostituees in de stad, veelal vluchtelingen uit Congo, die mannen oppikten in de Pub Royal en de Zanzibar. De meeste mensen giechelden als gekken omdat ze beseften dat hun dagen geteld waren. Zo klonk dat Angolese gelach mij in de oren: als geraaskal dat getuigde van groot lijden, als versterkt doodsgereutel. Net als de inwoners van Athene hing hen rampspoed of de dood boven het hoofd en 'besloten ze te genieten van een klein deel van hun leven'. Kalunga stapte op zijn motorfiets, maar startte hem niet. Hij zat uit te kijken over de stad en zei: 'Zo zal de wereld eruitzien wanneer het einde der tijden is aangebroken.”

“Ik denk dat de tijd volkomen stilstaat en dat ik me erin beweeg, soms langzaam en soms met razende snelheid. Ik zit aan de tafel en de tijd staat stil. Ik kan hem niet zien, niet ruiken en niet horen maar hij omringt me aan alle kanten. Zijn stilte en zijn onbeweeglijkheid zijn verschrikkelijk. Ik spring op, ren het huis uit en probeer hem te ontvluchten. Ik ga iets doen, de dingen eisen mijn aandacht op en ik vergeet de tijd. En dan, heel plotseling, is hij weer om me heen. Misschien sta ik voor het huis naar de kraaien te kijken en daar is hij weer, immaterieel en stil, en hij houdt ons vast, de wei, de kraaien en mij. Ik zal aan hem moeten wennen, aan zijn onverschilligheid en zijn alomtegenwoordigheid.”

“Ik denk dat het absurde een eigenschap is van de kunstenaar sinds de 20ste eeuw. Vanaf de 20ste eeuw is kunst absurd geworden. Ook al in de romantiek was kunst al nutteloos, volgens de kunstenaars die het zelf beoefenden. En dat is typisch een eigenschap van de romantiek, en dat is nu net op een moment, tijdens de romantiek, dat de industriële revolutie opkomt, er achteraankomt, en waar alles gericht is op wat nuttig is, nut. Ook in onze maatschappij van vandaag bijvoorbeeld stellen wij vast dat alles moet evolueren, de productiemachine moet werken, het geld moet winst maken, er is een soort machinerie op gang gekomen waarbij je dus altijd het gevoel moet hebben dat we stijgen, Merkel, de president van Duitsland, die roept het langs alle daken: wir müssen Deutschland terug aan die Spitzen brengen. Versta je, dus altijd maar, je kunt niet hoger, versta je, en dat is op zichzelf al absurd.”

“Ik denk dat niet alleen mensen, maar ook maatschappijen niet voor het geluk maar voor de strijd zijn geboren. Het nagestreefde doel is altijd geluk, maar dat is altijd alleen het beeld van de verlokking. Het is nog steeds niet bekend hoe het individuele leven te verenigen is met de doelen van de maatschappij, waar we nauwelijks een notie van hebben. We weten nog steeds niet wat ons beweegt en waarom we, voorbij het vegetatieve automatisme, eigenlijk leven. In feite is nog steeds niet opgehelderd of wij zelf bestaan of dat we alleen de belichaamde figuren zijn van de cellenmassa die in ons aan het werk is - een symbool dat doet alsof het een autonome werkelijkheid is, omdat het niet anders kan. Ik ben niet belangrijk, maar voor mij is iets wat niet belangrijk is toch belangrijk: zo staat het ongeveer met de literatuur.”

“Ik denk nu, terugblikkend, dat men elkaar in klotesituaties sterk wil zien. Niets is pijnlijker en niets maakt machtelozer dan andermans pijn. Misschien was dat ook de reden dat ik mijn tranen alleen durfde te beschrijven aan mijn vrienden via het veilige, afstandelijke WhatsApp. Rouwen anno 2019: typen dat je je ellendig voelt in plaats van het laten zien. Hartjes terugkrijgen in plaats van een echte arm om je schouder. Afstandelijk, en juist daarom vond ik het heerlijk. Ik kon mijn vriendinnen vertellen dat het niet goed ging, ik kon steun krijgen, maar ik hoefde ze niet in de ogen te kijken. Ik hoefde me niet kwetsbaar op te stellen en zij hoefden niet naar een houding te zoeken.”

“Ik geloof niet in helden, tenzij ze zich verpleegster noemen. Zij kennen de keerzijde van het krijgshaftige gebalk over 'respect voor elke vonk van leven'. Zij weten wat dat betekent in de praktijk. Zij helpen de onmachtigen en de dementen hun vernederingen van alledag te doorstaan, van voeding tot ontlasting. Het zijn de zaken waar men liever over zwijgt, van politicus tot prelaat. Het potsierlijk gemorste lopend voedsel, de drinkbeker voor kleuters in de handen van een huilende negentigjarige, de onbehandelbare pijnen, de stoma's, de urinezakjes hangend aan een kapstok naast het bed dat je niet meer verlaat, de nooit eindigende tragikomedie van de ontlasting. Dat ganse bittere repertoire van kots en kak.”

“Ik geloofde op mijn plaats te zijn in de geschonden stad. De verwoesting, de leegte, de moeizame pogingen tot herstel schenen mij in overeenstemming met mijn eigen zielstoestand. Wat zocht ik hier? Gemeenschap met anderen die zoals ik op een puinhoop moesten verder leven, voor de taak stonden met lege handen opnieuw te beginnen; saamhorigheidsgevoel; het besef van gelijkheid in het lijden, dat zou kunnen uitgroeien tot aanvaarding, tot hoop zelf. Want het is een voorrecht bewust de catastrofe te overleven, wanneer men eigen schuld en dwaling kent. Er is in de loop der jaren weinig van die bezieling overgebleven. Onbegrijpelijk snel went een mens aan de aanblik van ruïnen. Het carnaval, de stierenrennen, de volksfeesten worden het jaar rond gevierd, ondanks armoede en pest.(...) Ik voel mij niet meer thuis aan het hof van oude bekenden, en in die veranderde straten. Na iedere toch, ieder gesprek, wist ik maar één ding: dat ik volkomen alleen was.”

“Ik had, drie jaar oud, een huis-leeraar gekregen. Niet alleen dat men mij, om mijne eenzelvigheid, een bijzonder schrander kind achtte, maar dewijl over de straat een zeer arm onderwijzer woonde die veel kinderen had, lang ziek was geweest en nu behoefte had aan goed voedsel dat hij niet koopen kon, bracht mijne ouders tot het besluit dat ik mijne letters zou leeren. Ik zie dien leeraar nóg voor mij: een man als een magere muil-ezel, zoo van kop als van jagenden romp en oneindige, knokige leden. Aan hem is, evenzeer als aan mijn zeer geboeiden vlijt - ik leerde met ziekelijke gretigheid -, aan hem is een scherpe herinnering verbonden van gebraden vleesch op ongewone uren en aan eene bijzondere deftigheid mijner moeder. Zekeren dag had deze mij, ter gelegenheid van een geheimzinnigen Sinterklaas, ten behoeve van mijne lessen - zij hadden in de donkere achter-kamer plaats -, eene nieuwe lei gegeven, waar ik zeer blijde om was, want mijne moeder had er - wonderschoon docht mij, - een bloem-pot op gegriffeld met drie ontloken tulpen. Ik toonde de lei aan mijn meester; deze merkte mijn schroom-vollen trots niet, en veegde de tulpen uit met mijn sponsje en een beetje speeksel. - Mijn verdriet was onbedaarlijk: ik kreeg geen les dien dag. Zelfs als mijn moeder naar haar beste vermogen op de lei een nieuwen bloem-pot geteekend had, kwam een herhaalde tranen-bui mij overweldigen. Telkens herbegon mijn gehuil, dat mij van lieverlede als een behoefte was geworden. De nacht die daarop volgde, voor een goed deel slapeloos en koortsig, is de eerste van velen geweest waar ik mij verkneuterde in mijn verdriet, mijn verdriet overdreef...”

“Ik heb het geschreven contract tussen de van Leopold II en Tippo Tip opgenomen in mijn boek. Het is een uniek document. Het zegt alles over de toenmalige krachtsverhoudingen in Afrika. De slavenlegers waren sterker op dat moment. Omwille van realpolitik sloot hij daarom een verbond met de duivel. Hij benoemde Tippo Tip zelfs tot gouverneur van Stanley Falls. Hypocriet was dat. Op hetzelfde moment ijverde hij hier arm in arm met de Franse kardinaal Lavigerie tégen de slavernij. Uiteindelijk maakte hij daar ook wel komaf mee, maar de weg ernaartoe liep niet over rozen.”

“Ik heb het over echte waanzin. Waanzin die een stropdas draagt en gepoetste schoenen. De waanzin die 's avonds naar de badkamerspiegel knikt en niet meer bijkomt van het lachen, omdat hij weet dat hij weer gewonnen heeft, omdat hij helemaal niet kan verliezen, want hij heeft niets te verliezen. Het is de waanzin met korte smalle vingers, te klein om een andere man pijn te doen, maar toch net groot genoeg om op een knop te drukken. Misschien dat iemand deze waanzin herkent, maar dan zal het te laat zijn.”

“Ik heb me een beetje geschaamd voor de wijze waarop ik in de vorige editie beschreef hoe het slavenvervoer in de zeventiende en achttiende eeuw plaatsvond. Ik kon destijds niet voorzien dat die beschrijving zoveel opzien zou baren. Ik had berekend dat de ruimte van een slaaf ongeveer zo groot was als de ruimte die een passagier heeft in de economy class van een Boeing 747. Dat is gehéél verkeerd gevallen: ‘De racist Emmer vergelijkt een slavenreis met een vakantiereis.’ Dat slaat nergens op en is kwaadaardige laster, maar goed. Ik heb de vergelijking dus maar weggehaald. Maar de berekening klopte, ik had precies de kubieke centimeters uitgerekend, dat kan ik zo laten zien. Bovendien heb ik onderzocht dat Duitse landverhuizers die in de achttiende eeuw door Nederlandse schepen naar Pennsylvania werden gebracht nog minder ruimte hadden aan boord.”

“Ik heb me laten inspireren door Hjalmar Schacht. De man was een briljant economist. Hij moest van Hitler 60 miljard mark vrijmaken voor openbare werken terwijl er maar 150 miljoen in de staatskas zat. En toch slaagde hij erin om die openbare werken te financieren met wisselbrieven die door de staat gewaarborgd werden. We moeten iets gelijkaardigs doen. Er moet in ons land een parastatale holding gecreëerd worden”

“Ik heb nooit, zoals als zij, geloofd in militaire triomfen in naam van God, volk of staat. Ik ben gepokt en gemazeld een Vlaming van de nooit-meer-oorloggeneratie. De lessen van het verspilde bloed aan Den IJzer, en in alle Europese loopgraven van '14-'18, zijn me met de paplepel ingegeven. Een goede oorlog? Dat is een tegenstrijdigheid in de bewoordingen.”

“Ik klom vanuit Seuna omhoog naar de hoofdweg. Tijdens dat soort wandelingen schrijf ik altijd. Schrijven zoals ik het bedoel. Ik strijk mijn geest glad als een leeg vel papier waarop allerlei gedachten en beelden zich omzetten in tekens en maten. Een stem die altijd met me meegaat leest ze aan me voor: ze is streng , ze neemt geen genoegen met goedkope oplossingen. Ze herhaalt voor me wat ik al heb geschreven en ze praat me na, gekscherend, wanneer ik niet de juiste woorden vind, wanneer een geur, een smaak, een plant, een ochtendhemel, zich niet wil omzetten in beeldenmuziek. Sommigen zouden wellicht zeggen dat het mijn innerlijke stem is. Ik zeg alleen dat ze er is, en dat ze misschien wel de enige persoon is die me nooit in de steek heeft gelaten. De vloek van dichters: ze houden nooit op met schrijven. En het laatste wat ze nodig hebben is wel pen en papier…”

“Ik kon het echter niet laten, te scrhijven over ook nog de meisjes van 14 tot 18 jaar, die men de meest vermoeiende en meest zenuwslopende taak op de smalle schouders legde. Men noemde ze 'de nachtploeg', omdat ze het afschuwelijke nachtwerk te verrichten kregen: bij het loeien der sirenes om 6 of 7 uur in de avond, repten ze zich naar de fabrieken en stonden ze de hele nacht dóór in het helse lawaai van machines, molens of getouwen, om pas rond 6 of 7 uur in de grauwe ochtend de fabriekspoort te verlaten. Ondervoed, afgemat, door slaap overmand, kon geen nacht voorbij gaan zonder dat een van hen een ongeluk overkwam.”